Maak het jezelf makkelijk: check eerst wat je in de praktijk nodig hebt (hoeveel water en waarvoor) en daarna of de aansluiting echt klopt op jouw leiding. Als die twee goed zitten, is de rest vooral finetunen: bediening, uitloop en hoe makkelijk je ’m schoon en heel houdt. Kijk je naar een tapkraan, houd dan deze volgorde aan: gebruik → aansluiting → details. Zo voorkom je dat je iets koopt dat technisch past, maar in het dagelijks gebruik tegenvalt.
1) Begin bij je gebruik: wat wil je voelen als je ’m opendraait?
Denk aan het moment dat je de kraan opendraait. Wil je vooral snel een emmer of gieter vullen, dan wil je een kraan die “lekker doorloopt”. Gebruik je ’m met een tuinslang en sproeier, dan merk je vooral of de straal stabiel blijft zodra je belasting erop zet.
Wil je buiten water verdelen, dan is het fijn als je de kraan niet steeds hoeft bij te regelen. Bij druppelslangen werkt het bijvoorbeeld vaak prettiger als de regeling niet in de kraan “gepropt” zit, maar los is opgebouwd (bijvoorbeeld met een losse regelaar). Dan kan de kraan zelf gewoon in één vaste stand blijven staan.
Gebruik je één kraan voor twee totaal verschillende klussen, dan voel je snel of dat logisch is. Bij een wasbak wil je meestal een rustige straal zonder gespetter; bij slangwerk wil je juist dat er genoeg “pit” overblijft. Botst dat steeds, dan is het vaak praktischer om te scheiden: een tweede tappunt of een aparte buitenkraan voor de slang.
2) Aansluiting en maatvoering: hier ontstaat het gedoe (of juist niet)
Als de aansluiting klopt en je hebt genoeg ruimte om te monteren, blijft het werk meestal simpel: kort, recht en stevig, zonder een stapel extra koppelingen.
Twee snelle checks:
– Zit er schroefdraad (binnen of buiten) of werk je met een koppeling met wartel (draaimoer)?
– Heb je genoeg ruimte om een sleutel te gebruiken zonder dat muur, kast of wasbakrand in de weg zit?
Verloopstukken kunnen prima zijn als je iets moet overbruggen. Maar hoe langer de “opbouw”, hoe sneller het geheel zwaar en minder stabiel wordt, zeker als je vaak een slang aan- en afkoppelt. Moet je meerdere tussenstappen maken van leiding naar kraan, dan is een kraan met de juiste aansluiting meestal de kortste route naar een compacte, stevige montage.
3) Doorstroom en waterdruk: zo voorkom je een teleurstellende straal
Een fijne straal krijg je meestal door de weerstand vlak bij de kraan laag te houden: een ruime doorgang, niet onnodig veel bochten, en een uitloop die schoon is. Dan voorkom je dat de kraan technisch “werkt”, maar toch irritant aanvoelt.
Zonder te meten kun je hierop letten:
– Fluit de kraan als hij vol open staat, dan wijst dat vaak op een krappe doorgang of vervuiling
– Is een ander tappunt duidelijk sterker, dan zit het verschil vaak in deze kraan of de aanvoer ernaartoe
– Spettert de straal, dan wijst dat vaak op onrust of vervuiling bij de uitloop (bij een wasbak extra storend)
Gebruik je de kraan voor slang en sproeier, kies dan liever geen aansluiting of kraan die de doorgang onnodig vernauwt. Gebruik je ’m vooral voor handen wassen of een emmer, dan leveren bedieningsgemak en een nette, rustige straal vaak meer op dan maximale doorstroom.
4) Lekkage en onderhoud: klein ongemak of iets dat je beter uitbesteedt
Bij lekkage helpt het om eerst te kijken waar het water precies vandaan komt. Dan ga je niet aan het verkeerde deel sleutelen.
Twee plekken zie je het vaakst:
– Bij de aansluiting: vocht bij draad of koppeling, vooral nat zodra je de kraan gebruikt. Wat meestal helpt: goede passing en nette afdichting. Te hard aandraaien kan juist scheef trekken of draad beschadigen.
– Uit de uitloop terwijl de kraan dicht staat: het druppelt door zonder gebruik. Dan zit het meestal in het binnenwerk; repareren of vervangen daarvan ligt dan meer voor de hand dan rommelen bij de aansluiting.
Twijfel je of de hoofdkraan goed afsluit, of moet er leidingwerk aangepast worden, dan is een installateur vaak de snelste manier om het in één keer netjes op te lossen, zeker in een krappe hoek.
Abonneer op ons kanaal










